24/06/2018
In ons dagelijks leven voeren we talloze bewegingen uit, van de meest eenvoudige handelingen zoals een kopje koffie oppakken tot complexe vaardigheden zoals sporten of schrijven. Deze acties lijken vanzelfsprekend, maar ze zijn het resultaat van een ongelooflijk complex proces in onze hersenen, bekend als praxis. Praxis is essentieel voor onze interactie met de wereld en stelt ons in staat om adaptief te reageren op de eisen van onze omgeving. Wanneer dit proces verstoord is, kan dit leiden tot aanzienlijke uitdagingen voor kinderen in hun spel, zelfzorg en algemene ontwikkeling. Dit artikel duikt dieper in wat praxis precies is, welke stappen het omvat, en hoe problemen hiermee, zoals ontwikkelingsdyspraxie, worden herkend en aangepakt.

- Wat is Praxis precies?
- Tekenen van Onderontwikkelde Praxis bij Kinderen
- Dieper Duiken: Ontwikkelingsdyspraxie
- Ideatie, Affordances en Sensorische Integratie: De Visie van Jean Ayres
- De Therapeutische Benadering: Sensorische Integratie als Oplossing
- Vergelijking: Kenmerken van Dyspraxie versus Typische Ontwikkeling
- Veelgestelde Vragen over Praxis en Dyspraxie
Wat is Praxis precies?
Praxis wordt gedefinieerd als het vermogen om een idee te genereren en een actieplan te organiseren voor het uitvoeren van een motorische handeling. Het is een cruciaal cognitief proces dat de basis vormt voor alle doelgerichte bewegingen. Dit proces van actie-uitvoering bestaat uit vier fundamentele componenten die naadloos samenwerken:
- Ideatie: Dit is de allereerste stap in praxis en omvat het identificeren van een bewegingsdoel. Het gaat om het vormen van een mentaal beeld, een 'gestalt motor image', van mogelijke manieren om de gewenste actie te bereiken. Voordat een kind bijvoorbeeld een toren van blokken kan bouwen, moet het eerst het idee van de toren en de stappen om die te bouwen in zijn hoofd hebben.
- Motorische Planning: Zodra het idee is gevormd, volgt de motorische planning. Dit verwijst naar het vermogen om een reeks opzettelijke motorische acties te ordenen, te plannen en te sequencen. Het gaat om het bedenken van de juiste volgorde van bewegingen en welke spieren daarbij betrokken moeten zijn. Als een kind een bal wil vangen, moet het plannen hoe de armen en handen moeten bewegen en wanneer.
- Motorische Executie: Na de planning komt de uitvoering. Dit vereist een goede balans, coördinatie en motorische controle. Het is het daadwerkelijk uitvoeren van de geplande bewegingen. Een soepele uitvoering is afhankelijk van de efficiëntie van de zenuwsignalen naar de spieren en de feedback van het lichaam over de beweging.
- Geprojecteerde Actiesequenties: Deze component omvat acties die timing en beweging door de ruimte vereisen. Voorbeelden hiervan zijn vaardigheden zoals balspellen, rennen, en sportgerelateerde bewegingen. Het gaat om het anticiperen op en aanpassen aan bewegende objecten of veranderende omgevingen.
De bepalende eigenschap van praxis is het vermogen om een adaptieve respons te produceren op de eisen van de omgeving. Dit betekent dat we onze bewegingen kunnen aanpassen aan nieuwe situaties en uitdagingen, wat essentieel is voor leren en functioneren in het dagelijks leven.
Tekenen van Onderontwikkelde Praxis bij Kinderen
In de therapie zijn we sterk gericht op het vermogen van een kind om te organiseren en deel te nemen aan spel- en zelfzorgactiviteiten. Verwijzing voor ergotherapie (ET) en fysiotherapie (PT) bij Developmental Pathways for Kids kan wijzen op problemen die duiden op een slecht ontwikkelde praxis. Dit zijn vaak de eerste signalen die ouders opmerken en die een indicatie kunnen zijn dat er meer aan de hand is dan alleen 'onhandigheid'. Enkele voorbeelden van dergelijke problemen zijn:
- Het kind is niet in staat om zelfstandig spel te organiseren en lijkt zich te vervelen of gefrustreerd te raken.
- Weet niet wat te doen met speelgoed en breekt het vaak, alsof het de functie of de mogelijkheden van het speelgoed niet begrijpt.
- Wil graag meedoen met andere kinderen op de speelplaats, maar kan de activiteiten niet uitvoeren zonder hulp van volwassenen, zoals klimmen, schommelen of balspellen.
- Heeft moeite met het op- en afstappen van een hobbelpaard en moet herhaaldelijk stap voor stap geholpen worden. Dit wijst op problemen met motorische planning en sequencing.
- Heeft moeite met aankleden, zoals knopen dichtdoen, ritsen openen of kleding in de juiste volgorde aantrekken, en begint nu gewoonlijk driftbuien te krijgen uit frustratie.
Vaak is er in veel van deze gevallen ook sprake van een taalontwikkelingsachterstand. Sommige kinderen met praxis-uitdagingen zijn overactief en lijken zich niet bewust van gevaar, terwijl anderen ongewoon angstig zijn en grove en fijne motorische activiteiten mijden. Veel van deze verwezen kinderen zullen worden geëvalueerd op ontwikkelingsdyspraxie.
Dieper Duiken: Ontwikkelingsdyspraxie
Ontwikkelingsdyspraxie, ook wel Developmental Coordination Disorder (DCD) genoemd, is een type coördinatiestoornis waarbij het kind niet in staat is om nieuwe of vaardige bewegingen mentaal te visualiseren en te 'doorgronden', of te plannen. Deze bewegingen kunnen zowel grote spieracties betreffen, zoals leren rolschaatsen of een radslag doen, als fijne hand-/vingervaardigheden voor handschrift of het gebruik van gereedschap zoals scharen of eetgerei.
Kinderen met een mildere stoornis hebben wel een 'mentaal beeld' van wat ze willen doen (dit wordt ideatie genoemd), maar kunnen de lichaamshoudingen en actiesequenties niet uitvoeren om het te volbrengen. Ze weten wat ze willen bereiken, maar het 'hoe' is een mysterie voor hun brein.
Ernstiger beperkte kinderen hebben geen mentaal beeld van de mogelijkheden van een bepaald object. Objectaanwijzingen van 'wat te doen met dit object' worden 'affordances' genoemd. Kinderen met ernstige dyspraxie herkennen deze affordances niet. Ze zien bijvoorbeeld een lepel, maar begrijpen niet intuïtief dat deze bedoeld is om mee te eten, of ze zien een bal, maar het idee om ermee te gooien of te schoppen komt niet vanzelf.
Ideatie, Affordances en Sensorische Integratie: De Visie van Jean Ayres
Nog belangrijker is de ontdekking van Jean Ayres, PhD, de grondlegger van de sensorische integratiepraktijk. Zij ontdekte dat een kind met dyspraxie een onderliggend patroon van beperkingen vertoonde in de detectie, organisatie en discriminatie van sensorische informatie van de huid (tactiel), gewrichten en spieren (proprioceptie), en/of het vestibulaire systeem (het 'evenwichtsorgaan' in het binnenoor). Dit inzicht was revolutionair, omdat het de focus verlegde van alleen de zichtbare motorische problemen naar de diepere, onderliggende sensorische verwerkingsuitdagingen.
Haar hypothese voor een succesvolle interventie was om de onderliggende sensorische verwerkingsproblemen te behandelen – en niet een educatief proces om het kind te leren specifieke bewegingen uit te voeren. Dit betekent dat het niet gaat om het herhaaldelijk oefenen van een specifieke beweging totdat deze 'geleerd' is, maar om het verbeteren van de manier waarop de hersenen sensorische informatie verwerken, zodat het kind zelf beter in staat is om bewegingen te plannen en uit te voeren. Dit is een fundamenteel verschil in benadering.
De Therapeutische Benadering: Sensorische Integratie als Oplossing
Deze benadering is het onderliggende thema in al het werk dat wordt gedaan bij Developmental Pathways for Kids. Voor kinderen die problemen hebben met praxis, pakken therapeuten de onderliggende sensorische verwerkingsmoeilijkheden aan met behulp van een sensorische integratiebehandelingsbenadering. Dit houdt in dat er therapeutische activiteiten worden gebruikt die gebaseerd zijn op het vestibulaire, proprioceptieve en tactiele systeem. Deze activiteiten worden gecombineerd in een speelse context om het kind te motiveren betekenisvolle adaptieve responsen te maken op 'precies-goede' therapeutische uitdagingen die door de therapeut worden gepresenteerd.

Het 'precies-goede' aspect is cruciaal; de uitdagingen zijn niet te makkelijk, waardoor het kind zich verveelt, en niet te moeilijk, waardoor het kind gefrustreerd raakt. De therapeut observeert zorgvuldig de reacties van het kind en past de activiteit aan om precies de juiste hoeveelheid sensorische input en motorische uitdaging te bieden. Dit stimuleert de hersenen om nieuwe neurale verbindingen te leggen en de sensorische informatie efficiënter te verwerken.
Therapeutische doelen worden door de kunstzinnige therapeut vermomd als spel, waardoor de optimale betrokkenheid van het kind wordt verkregen. Dit maakt de therapie niet alleen effectiever, maar ook leuk en motiverend voor het kind. Denk aan schommelen (vestibulair), duwen en trekken (proprioceptief), en spelen met verschillende texturen (tactiel). Door deze activiteiten in een speelse en doelgerichte manier aan te bieden, helpt de therapeut het kind om zijn sensorische systeem beter te organiseren, wat direct de praxisvaardigheden verbetert.
Vergelijking: Kenmerken van Dyspraxie versus Typische Ontwikkeling
| Gebied | Typische Motorische Ontwikkeling | Mogelijke Indicaties van Dyspraxie |
|---|---|---|
| Spel | Organiseert zelfstandig spel, gebruikt speelgoed functioneel en creatief. Kan makkelijk overschakelen tussen verschillende speelactiviteiten. | Moeite met het organiseren van spel, weet niet wat te doen met speelgoed, breekt het vaak door onhandigheid of gebrek aan begrip van functie. Herhaalt vaak dezelfde handelingen. |
| Sociale Interactie | Neemt gemakkelijk deel aan groepsactiviteiten, begrijpt sociale spelregels en past zich aan. | Wil meedoen, maar kan activiteiten niet zonder hulp voltooien, waardoor sociale interactie bemoeilijkt wordt. Kan zich terugtrekken uit groepsspel. |
| Zelfzorg | Leert snel aankleden, eten, hygiëne en andere dagelijkse taken, wordt steeds onafhankelijker. | Heeft moeite met aankleden (knopen, ritsen), eten (bestekgebruik), heeft stap-voor-stap hulp nodig bij dagelijkse taken die leeftijdsgenoten zelfstandig uitvoeren. |
| Coördinatie | Leert gemakkelijk nieuwe motorische vaardigheden (fietsen, springen, sporten), beweegt vloeiend en gecoördineerd. | Moeite met leren van nieuwe grove of fijne motorische vaardigheden, lijkt onhandig, struikelt vaak, laat dingen vallen. Kan moeite hebben met het inschatten van afstand en snelheid. |
| Emotioneel/Gedrag | Past zich aan nieuwe situaties aan, kan frustratie reguleren. | Frustratie, driftbuien door onvermogen om taken uit te voeren. Kan overactief zijn en gevaar negeren, of juist ongewoon angstig en vermijdend zijn bij nieuwe motorische uitdagingen. |
Veelgestelde Vragen over Praxis en Dyspraxie
Wat is het verschil tussen Praxis en Dyspraxie?
Praxis is het algemene vermogen om bewegingen te plannen en uit te voeren. Het is een essentieel neurologisch proces dat iedereen gebruikt. Dyspraxie, of Ontwikkelingsdyspraxie (DCD), is een specifieke coördinatiestoornis die voortkomt uit een onderliggend probleem met praxis. Bij dyspraxie heeft het kind moeite met het mentaal visualiseren, plannen en uitvoeren van nieuwe of vaardige bewegingen, ondanks normale intelligentie en geen andere bekende neurologische aandoeningen die de problemen verklaren.
Kan dyspraxie genezen worden?
Dyspraxie is een neurologische aandoening, geen ziekte die 'genezen' kan worden in de traditionele zin. Het is een manier waarop de hersenen functioneren. Echter, door middel van gerichte therapie, met name een sensorische integratiebenadering, kunnen kinderen aanzienlijke vooruitgang boeken in hun motorische vaardigheden, planning en dagelijkse functioneren. Het doel is het kind te helpen strategieën te ontwikkelen om met hun uitdagingen om te gaan en de onderliggende sensorische verwerkingsproblemen aan te pakken, waardoor ze beter in staat zijn om te leren en deel te nemen aan activiteiten.
Wat is Sensorische Integratie Therapie?
Sensorische Integratie Therapie (SIT) is een therapeutische benadering ontwikkeld door Jean Ayres. Het richt zich op het verbeteren van de manier waarop de hersenen sensorische informatie (van aanraking, beweging en positie van het lichaam) verwerken en organiseren. Voor kinderen met dyspraxie betekent dit het aanbieden van specifieke sensorische ervaringen (vestibulair, proprioceptief, tactiel) in een speelse en uitdagende omgeving. Dit stimuleert de hersenen om effectievere verbindingen te maken, waardoor het kind beter in staat is om sensorische input te registreren, te moduleren en te discrimineren, wat uiteindelijk leidt tot verbeterde motorische planning en uitvoering.
Wanneer moet ik professionele hulp zoeken voor mijn kind?
Als u merkt dat uw kind aanhoudende moeite heeft met motorische mijlpalen (zoals kruipen, lopen, rennen, springen), coördinatie, zelfzorgtaken (zoals aankleden of eten), of deelname aan spelactiviteiten die leeftijdsgenoten gemakkelijk uitvoeren, is het raadzaam een kinderarts of een gespecialiseerde therapeut (zoals een ergotherapeut of fysiotherapeut die ervaring heeft met sensorische integratie) te raadplegen. Vroege interventie kan een significant verschil maken in de ontwikkeling van het kind en helpt frustratie te verminderen.
Zijn er andere problemen geassocieerd met dyspraxie?
Ja, vaak zijn er naast motorische uitdagingen ook andere problemen aanwezig. Zoals eerder vermeld, kan taalontwikkelingsachterstand voorkomen. Sommige kinderen kunnen ook gedragsproblemen vertonen, zoals overactiviteit, concentratieproblemen, of juist extreme angst en verlegenheid bij nieuwe motorische uitdagingen. Frustratie door het onvermogen om taken uit te voeren kan leiden tot emotionele uitbarstingen of driftbuien. Een holistische benadering van de therapie is daarom essentieel om al deze aspecten te adresseren.
Het begrijpen van praxis en de uitdagingen die dyspraxie met zich meebrengt, is de eerste stap naar effectieve ondersteuning. Door de onderliggende sensorische verwerkingsproblemen aan te pakken met een speelse en doelgerichte therapeutische benadering, kunnen kinderen met dyspraxie hun volledige potentieel bereiken en met meer zelfvertrouwen deelnemen aan de wereld om hen heen.
Als je andere artikelen wilt lezen die lijken op Praxis & Dyspraxie: Begrip van Beweging en Coördinatie, kun je de categorie Verf bezoeken.
