14/06/2022
Indischgeel, een pigment dat al eeuwenlang kunstenaars en ambachtslieden betovert met zijn intense, lichtechte gloed, is gehuld in een sluier van mysterie. De geschiedenis van dit opvallende gele pigment is net zo kleurrijk en complex als de tint zelf. Van de weelderige miniaturen van India tot de meesterwerken van de Nederlandse Gouden Eeuw, Indischgeel heeft een intrigerende reis afgelegd, waarbij de ware oorsprong ervan lange tijd een bron van speculatie en debat was. Wat dit pigment zo uniek maakte, was niet alleen zijn ongeëvenaarde kleurkwaliteit, maar vooral de bizarre verhalen die de ronde deden over de productie ervan. Bereid u voor op een duik in de diepte van dit historische pigment, waarbij we de feiten van de fabels scheiden en de wetenschappelijke ontdekkingen belichten die het mysterie van Indischgeel uiteindelijk hebben ontrafeld.

De Vroege Oorsprong in India: Een Mysterieus Begin
De eerste sporen van Indischgeel duiken op tegen het einde van de middeleeuwen in India, waar het een prominente rol ging spelen in de bloeiende miniatuurschilderkunst. Rond de vijftiende eeuw begon men in India de Perzische gewoonte over te nemen om miniaturen te schilderen, illustraties in geschriften op papier of perkament. Waar de oorspronkelijke islamitische tradities een ingetogen kleurenpalet kenden, werden hindoeïstische schilders al snel uitbundiger in hun coloriet. Geel, een kleur die geassocieerd werd met zowel goden als de hoogste kaste, de brahmanen, werd veelvuldig gebruikt. Rond 1400 verschijnen de oudste bekende miniaturen die grote partijen hebben die met Indischgeel zijn gekleurd. Opvallend is dat oudere geschriften in het Sanskriet het pigment niet vermelden en er geen gebruik van bekend is uit de voorgaande periode, toen nog op palmbladeren werd geschilderd.
In India stond het oranjegele pigment bekend onder namen als pioeri of peori, met talloze variaties daarop. Sommigen suggereerden een Perzische oorsprong, afgeleid van 'gaugil' (koeienaarde), maar het ontbreken van oudere Perzische miniaturen met Indischgeel spreekt dit tegen. Het pigment werd ook gebruikt in zeventiende-eeuwse muurschilderingen en was in de negentiende eeuw relatief goedkoop, ingezet als textielverf, vooral voor katoen. Een verwant pigment, gorocana, werd zelfs gebruikt voor de rituele gele markering op het voorhoofd, de tilak.
De Controverse Rondom de Productie: Koeienurine of Fabel?
De meest tot de verbeelding sprekende en tevens meest betwiste theorie over de productie van Indischgeel draaide om koeienurine. Volgens deze verhalen, die eeuwenlang de ronde deden, werd het pigment gewonnen uit de urine van koeien die uitsluitend werden gevoed met bladeren van de mangoboom (Mangifera indica). Deze bladeren bevatten de gele kleurstof euxanthon. De lever van de koeien zou dit euxanthon omzetten in euxanthinezuur, waarvan het magnesiumzout een zeer fel, lichtgevend en lichtecht pigment vormde. De nieren filterden dit uit het bloed, waarna de urine werd opgevangen, ingekookt en tot bollen gekneed, die vervolgens door heel India werden verhandeld.
Dit proces had echter een duistere keerzijde: de koeien zouden al na enkele jaren sterven aan ondervoeding, mogelijk door het gif urushiol in de mangobladeren. Een generatie later, rond 1908, werd de praktijk daarom naar verluidt verboden, en rond 1920 stopte ook de Europese productie van verf op basis van dit pigment. Dit verhaal werd een vast onderdeel in boeken over pigmenten, maar in 2004 zaaide Victoria Finlay in haar boek 'Color: A Natural History of the Palette' twijfel over de waarheid ervan. Ze kon geen wetgeving tegen dierenmishandeling vinden in de archieven en haar eigen onderzoek in Bihar leverde geen bewijs of mondelinge overlevering op over de productie van peori. Ze suggereerde dat het verhaal verzonnen was, wellicht door Mukharji, en dat het pigment mogelijk direct uit planten werd gewonnen.
Wetenschappelijke Ontrafeling van het Mysterie
Finlays scepsis inspireerde echter tot hernieuwd wetenschappelijk onderzoek. Hoewel haar boek geen waterdichte falsificatie was, zorgde het wel voor een hernieuwde interesse in de materie. En wat bleek? Recent onderzoek heeft de oorspronkelijke theorie grotendeels bevestigd. In 2017 en 2018 werd een monster, verzonden door de Indiase ambtenaar Troilokyanath Mukhopadhyay in 1883, opnieuw onder de loep genomen met moderne methoden. Dit monster, afkomstig van de koeherders zelf, bevatte inderdaad euxanthon en euxanthinezuur. De aanwezigheid van hippuurzuur, een belangrijke biomarker in urine, bevestigde bovendien de dierlijke oorsprong van het pigment. Mukhopadhyay's waarnemingen, die hij destijds in Mirzapoer, Munger, in Bihar deed, bleken accuraat. Hij beschreef hoe koeherders, gwalas, hun dieren mangobladeren en veel water voerden, waarna de feloranje urine werd ingedikt en verpakt. Hoewel hij de dieren er ondervoed en ziek vond uitzien, ontkenden de herders dit en beweerden ze de koeien te laten herstellen met gras, wat de urinekwaliteit wel verminderde. Het mysterie van Indischgeel, dat ooit als een fabeltje werd afgedaan, bleek dus toch grotendeels op waarheid te berusten.

De Reis naar Europa: Een Exotisch Luxe Product
In de zestiende eeuw vond Indischgeel zijn weg naar het Westen. Dit gebeurde vermoedelijk niet via de traditionele handelsroutes door het Ottomaanse Rijk naar Venetië, maar via de directe zeeroute die Portugal in de tijd van de ontdekkingsreizen op India had geopend. De beperkte laadruimte op schepen maakte de import van dure luxeproducten zoals juwelen, specerijen en zeldzame pigmenten profijtelijk. Deze goederen werden vervolgens naar het noorden verscheept, naar Antwerpen in de Nederlanden, dat zich naast Italië had ontwikkeld tot het tweede centrum van Europese schilderkunst. Hier ontstond een bloeiende markt voor pigmenten, en Indischgeel, met zijn ongekende felheid en lichtechtheid, werd al snel een geliefde aanwinst voor schilders.
Gebruik in de Europese Schilderkunst
Tijdens de zeventiende eeuw, de Gouden Eeuw van de Nederlandse schilderkunst, was Indischgeel vermoedelijk al een gangbaar pigment, hoewel dit lastig aan te tonen is. Schildersboeken vermeldden het niet expliciet als 'Indischgeel'; het woord is een latere vertaling van het Franse jaune indien. Lange tijd werd gedacht dat Johannes Vermeer het gebruikte in zijn 'Vrouw met weegschaal' (circa 1664). Echter, pigmentanalyse in 1974 toonde aan dat het gele gordijn in kwestie een latere restauratie betrof, waarbij Indischgeel werd toegevoegd. Vermeer zelf had het originele deel geschilderd met traditioneel loodtingeel. Desondanks wordt het schilderij nog vaak ten onrechte aangehaald als voorbeeld van zeventiende-eeuws gebruik. Een werk waarin het pigment wel is aangetoond, is Rembrandts 'Gelijkenis van de rijke dwaas' uit 1627. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had inmiddels factorijen gesticht aan de Indiase kust, waardoor het pigment direct kon worden geïmporteerd.
Speculatie en Scheikundig Onderzoek in de 18e en 19e Eeuw
In de achttiende eeuw werd de Britse East India Company de belangrijkste exporteur van Indischgeel. Het bedrijf liet het pigment, geleverd in vuistgrote, zachte klompen organisch materiaal, aanvoeren via Calcutta. De precieze herkomst van deze klompen was in Europa onbekend, wat leidde tot wilde hypothesen. De bollen roken sterk naar ammoniak, en men opperde dat ze bestonden uit de urine van slangen, buffels, olifanten of kamelen. Minder onhygiënische suggesties waren ossengal of galstenen van vee, of zelfs kurkuma, waarvan het goudgele poeder in India als specerij en ritueel kleurmiddel werd gebruikt. Deze verwarring werd versterkt doordat allerlei gele pigmenten uit Azië als 'Indischgeel' werden verkocht, zoals okers, saffraan of gummigut.
De negentiende eeuw bracht een bloei van de scheikunde, met veel aandacht voor commercieel toepasbare stoffen, waaronder pigmenten voor de textielindustrie. De Schot John Stenhouse publiceerde in 1844 een wetenschappelijk artikel over Indischgeel. Hij merkte op dat het in grote hoeveelheden werd geïmporteerd uit India en China in de vorm van feloranje klompen die onder de microscoop scherpe kristalnaalden toonden. Hij noemde de stof purreic acid en dacht dat het om de gom van een plant ging. Dezelfde geur die deed denken aan bevergeil, leidde tot de aanname van een dierlijke herkomst.
De Duitser Otto Liné Erdmann bracht in 1844 ook een studie uit. Hij stelde de naam euxanthinezuur voor, afgeleid van het Griekse euxanthos ('goed geel'), en euxanthon voor de stabiele gele verbindingen. Erdmann bekritiseerde Stenhouse's gebrek aan argumenten voor een plantaardige oorsprong en prees de ongeëvenaarde kwaliteit van Indischgeel als gele glaceerverf, ondanks de hoge prijs. In 1845 publiceerden beide onderzoekers een gezamenlijk artikel, waarin ze de term euxanthinezuur prefereerden en de mogelijkheid van een plantaardige oorsprong in het bomengeslacht Berberis opperden. Werner Schmid was in 1855 de eerste die vermoedde dat een dier het euxanthon in euxanthinezuur omzette. Later onderzoek door Adolf von Baeyer (1870), Max Emanuel Jaffé (1875) en Osvalds Šmīdebergs en Hans Meyer (1879) bevestigde de dierlijke omzetting en identificeerde glucuronidezuur als een tweede component.

Het Einde van een Tijdperk en Moderne Vervangers
Begin twintigste eeuw, rond de jaren twintig, viel de export van Indischgeel stil. De algemeen geaccepteerde verklaring was dat nieuwe wetgeving uit 1908 tegen dierenmishandeling hiervoor verantwoordelijk was, mede gezien de status van de koe als heilig dier in India. Hoewel Victoria Finlay deze specifieke wetgeving niet kon vinden, zou een ban gebaseerd kunnen zijn op reeds bestaande wetten ter voorkoming van dierenmishandeling, zoals de Bengaalse wetten van 1869.
Westerse verffabrikanten begonnen al in de negentiende eeuw met de productie van imitaties, vaak versneden met chromaatgeel of geel gewonnen uit bessen. In de loop van de twintigste eeuw werd alle tubeverf die onder de naam 'Indischgeel' werd verkocht een imitatie, meestal op basis van idanthreengeel of Hansageel. Later werd ook isoindolinonegeel (PY110) gebruikt. Pas in 2018 is het gelukt om het oorspronkelijke pigment synthetisch te produceren.
Tegenwoordig wordt Indischgeel, in zijn traditionele vorm, nog zelden geproduceerd of gebruikt. Het wordt echter wel ingezet om de echtheid en ouderdom van kunstwerken vast te stellen, dankzij de unieke chemische signatuur van het euxanthinezuur.
Veelgestelde Vragen over Indischgeel
Wat is Indischgeel precies?
Indischgeel is een historisch pigment, bekend om zijn intense, transparante en lichtechte gele kleur. Het werd traditioneel geproduceerd in India en was afkomstig van het magnesiumzout van euxanthinezuur, een stof die werd gefilterd uit de urine van koeien die een dieet van mangobladeren kregen. Tegenwoordig worden de meeste verven die onder deze naam verkocht worden, gemaakt met synthetische pigmenten.
Hoe werd Indischgeel traditioneel gemaakt?
De traditionele methode, hoewel omstreden, hield in dat koeien werden gevoed met mangobladeren. De gele kleurstof (euxanthon) in de bladeren werd in de lever van de koe omgezet in euxanthinezuur en via de urine uitgescheiden. Deze urine werd opgevangen, ingekookt en tot bollen gekneed, die vervolgens werden gedroogd en verhandeld. Deze praktijk leidde echter tot de ondervoeding en vroegtijdige dood van de koeien.

Waarom werd de productie van Indischgeel gestaakt?
De productie van Indischgeel stopte begin twintigste eeuw, voornamelijk rond 1920. De meest gangbare verklaring is dat de praktijk als inhumaan werd beschouwd en rond 1908 werd verboden vanwege de slechte gezondheid van de koeien, die door het dieet leden aan ondervoeding. Ook de heilige status van de koe in de hindoecultuur speelde hierin mogelijk een rol.
Wat is een betrouwbare vervanger voor Indischgeel?
Een betrouwbare en veelgebruikte moderne vervanger voor Indischgeel is het synthetische pigment PY110 (isoindolinonegeel). Dit pigment is zeer transparant, heeft een geringe drogingsverloop, uitstekende lichtechtheid en is vlekvormend, maar laat zich ook na droging gemakkelijk verwijderen. Andere veelgebruikte vervangers zijn idanthreengeel en Hansageel.
Wordt Indischgeel vandaag de dag nog gebruikt?
Het originele, dierlijke Indischgeel wordt nauwelijks meer geproduceerd of commercieel gebruikt, hoewel synthetische varianten onder dezelfde naam verkrijgbaar zijn. Het historische pigment is echter nog steeds van belang voor kunsthistorici en wetenschappers voor het dateren en authenticeren van oude kunstwerken, dankzij de unieke chemische samenstelling die kan worden gedetecteerd met moderne analysetechnieken.
De geschiedenis van Indischgeel is een fascinerend voorbeeld van hoe een pigment niet alleen de kunstwereld beïnvloedt, maar ook verweven is met culturele praktijken, wetenschappelijke ontdekkingen en ethische overwegingen. Het blijft een symbool van de complexiteit van historische materialen en de voortdurende zoektocht naar waarheid in de wereld van kleur.
Als je andere artikelen wilt lezen die lijken op Indischgeel: Het Mysterieuze Pigment Uit India, kun je de categorie Verf bezoeken.
